Besluit

Uit Wiki handhaving

Ga naar: navigatie, zoeken

Besluit

Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan (zie hiervoor), dat een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt (art. 1:3 lid 1 Awb.). Mondelinge besluiten en tekens zijn dus geen besluiten. Een stempel kan daarentegen wel weer een besluit zijn. De woorden “publiekrechtelijke rechtshandeling” houden in, dat er sprake moet zijn van een beoogd publiekrechtelijk rechtsgevolg. Hierbuiten vallen:

  • beslissingen tot het verrichten van een niet op rechtsgevolg gerichte handeling.
  • (bloot) feitelijke uitvoeringshandelingen.
  • mededelingen (individueel en algemeen).

Aan een besluit gaat eerst een aanvraag vooraf (art. 1:3 lid 3 Awb.): “een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.”

Een beschikking (art. 1:3 lid 2 Awb.) is een besluit van individuele en concrete strekking. Daarbinnen onderscheiden we nog de persoonsgerichte beschikking, die tot één of meer personen is gericht of een groep personen die niet uitgebreid kan worden, en de zaaksgerichte beschikking die is gericht op de wijziging van de juridische status van een zaak.

Aan de beschikking gaat dus ook een aanvraag vooraf en deze moet schriftelijk ingediend worden (art. 4:1 Awb.). Verder kan het ook eventueel met een aanvraagformulier (art. 4:4 Awb.). Als de verstrekte gegevens onvoldoende zijn, kan het bestuursorgaan beslissing de aanvraag niet in behandeling te nemen, als het de burger in de gelegenheid heeft gesteld het verzuim te herstellen (art. 4:5 lid 1 Awb.).

Daarna volgt de voorbereidend onderzoek. Dit vloeit voort uit het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 Awb.) en dit is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (a.b.b.b.). De aanvrager en derden met een rechtstreeks belang moeten worden gehoord (art. 4:7 en 4:8 Awb.), tenzij er sprake is van een spoedeisend belang (art. 4:11 Awb.) of van financiële beschikkingen, waar tegen bezwaar of administratief beroep openstaat (art. 4:12 Awb.).

Vervolgens beslist het bestuursorgaan binnen een redelijke termijn, en in ieder geval binnen acht weken na de aanvraag (art. 4:13 Awb.).

Bij wettelijk voorschrift of besluit van het bevoegde bestuursorgaan kan worden bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd vóór het nemen van het besluit (art. 3:10 lid 1 Awb.). De voorbereiding van het besluit geschiedt dus in het openbaar en van de terinzagelegging van de aanvraag/het ontwerp (art. 3:11 lid 1 Awb.), wordt kennis gegeven (art. 3:12 lid 1 Awb.). Er wordt daarin aangegeven, wie inspraak mogen geven bij de voorbereiding tot het nemen van het besluit (art. 3:12 lid 3 sub b Awb.). Dit zijn in ieder geval belanghebbenden gedurende zes weken vanaf het moment van terinzagelegging (art. 3:16 lid 1 Awb.). Binnen zes maanden na de aanvraag beslist het bestuursorgaan (art. 3:18 lid 1 Awb.). En na de bekendmaking van het besluit, treedt het in werking (art. 3:40 Awb.).

Soms wordt er door het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit het advies ingewonnen van een adviseur (art. 3:5 Awb.) en het bestuursorgaan stelt de benodigde gegevens beschikbaar aan de adviseur (art. 3:7 Awb.). De naam van de adviseur wordt dan wel vermeld in het betreffende besluit (art. 3:8 Awb.).

Als een besluit geen beschikking is, is het een besluit van algemene strekking. Hierbij kan eveneens bij wettelijk voorschrift of besluit van het bevoegde bestuursorgaan worden bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd vóór het nemen van het besluit (art. 3:10 lid 1 Awb.). De voorbereiding van het besluit geschiedt dus in het openbaar en van de terinzagelegging van de aanvraag/het ontwerp (art. 3:11 lid 1 Awb.), wordt kennis gegeven (art. 3:12 lid 1 Awb.). Er wordt daarin aangegeven, wie inspraak mogen geven bij de voorbereiding tot het nemen van het besluit (art. 3:12 lid 3 sub b Awb.). Dit zijn in ieder geval belanghebbenden gedurende zes weken vanaf het moment van terinzagelegging (art. 3:16 lid 1 Awb.). Binnen zes maanden na de aanvraag beslist het bestuursorgaan (art. 3:18 lid 1 Awb.). En na de bekendmaking van het besluit, treedt het in werking (art. 3:40 Awb.).

Soms wordt er door het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit het advies ingewonnen van een adviseur (art. 3:5 Awb.) en het bestuursorgaan stelt de benodigde gegevens beschikbaar aan de adviseur (art. 3:7 Awb.). De naam van de adviseur wordt dan wel vermeld in het betreffende besluit (art. 3:8 Awb.).

Er zijn een aantal beslissingen, die geen besluiten zijn, maar daarmee wel gelijkgesteld zijn.

De beschikking tot afwijzing van een verzoek tot het geven van een beschikking (aanvraag) (art. 1:3 lid 3 Awb.) wordt gelijkgesteld met een besluit.

Verder wordt alleen voor bezwaar en beroep (het bestuursprocesrecht) “de schriftelijke weigering een besluit te nemen” gelijkgesteld met een besluit, dus ook een besluit van algemene strekking (art. 6:2 aanhef en sub a Awb.). Daarnaast kan men ook bezwaar en beroep instellen tegen de fictieve weigering (het niet tijdig nemen) van een besluit op grond van art. 6:2 sub b Awb.

Verder gelden als besluiten nog de beslissing inzake vergoeding voor onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) en een schriftelijke beslissing die is genomen op basis van een vermeend onrechtmatig besluit.

Een bestuursorgaan kan ook regels vaststellen, door middel van zogenaamde algemeen verbindende voorschriften (a.v.v.’s) (wetgeving in materiële zin). Dit noemt men “bestuurswetgeving”. De bevoegdheid hiertoe is altijd op een landelijke wet in formele zin gebaseerd, zoals de Grondwet. Een voorbeeld is een Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) in een gemeente.

Daarbuiten vallen de beleidsregels (art. 1:3 lid 4 Awb.): deze worden “bij besluit” vastgesteld (art. 1:3 lid 4 Awb.) en het bestuursorgaan is hiertoe bevoegd (art. 4:81 Awb.). Beleidsregels zijn geen algemeen verbindende voorschriften, omdat naleving ervan niet verplicht is en de beleidsregel houdt een regel in omtrent het gebruik van een reeds bestaande bevoegdheid.

Persoonlijke instellingen