Dieren houden

Uit Wiki handhaving

Ga naar: navigatie, zoeken

Het houden van dieren kan overlast naar de omgeving veroorzaken (stank-, geluid-, mestoverlast, vraat aan gewassen, vernieling, ziekten). De gemeente is bevoegd regels te stellen aan het houden van dieren ter voorkoming of opheffing van schade of hinder. Gaat het om het hobbymatig houden van dieren met name of in het bijzonder in een woonomgeving, dan stelt de APV hiervoor regels. Hobbydieren zijn landbouwhuisdieren die vooral voor het plezier van de eigenaar, dus zonder winstoogmerk, worden gehouden. Gezelschapsdieren als honden, katten en vissen vallen er buiten. De meeste hobbydierhouders houden meer dan drie diersoorten, zowel landbouwhuisdieren als gezelschapsdieren.

Bij het hobbymatig of kleinschalig houden van dieren ligt het probleem veelal in de bedrijfsmatigheid. Indien op een bedrijf uitsluitend dieren hobbymatig worden gehouden, is de activiteit niet te beschouwen als een bedrijfsmatige activiteit. Wel kan het zo zijn dat de omvang van de activiteit zodanig is, dat deze activiteit een 'omvang alsof zij bedrijfsmatig was' heeft. Voor het bedrijfsmatig houden van dieren (in agrarische omgeving), stelt de Wet milieubeheer regels. Ook het bestemmingsplan is bepalend voor de vraag of er in een bepaald gebied dieren gehouden mogen worden. Per gemeente kunnen regels die voor de leefomgeving of voor bedrijven gelden en de procedure voor het verkrijgen van een vergunning of ontheffing afwijken.

Inhoud

Kleinschalig dieren houden

Voor het bepalen of het gaat om kleinschalig houden van dieren wordt naar bepaalde aspecten gekeken. Deze aspecten zijn genoemd in een brief van het ministerie van VROM/ DWL uit oktober 1999 aan alle gemeenten. De tekst die hieronder volgt is overgenomen van de website Infomil.

In deze brief "Kleinschalig houden van dieren" wordt uitgelegd dat het niet mogelijk is om in een amvb of een richtlijn uitspraken te doen over wanneer er sprake is van vergunningplicht voor het kleinschalig houden van dieren. In de brief wordt een overzicht gegeven van twaalf uitspraken van de Raad van State over dit onderwerp. Uit deze voorbeelden blijkt dat de rechter verschillende factoren laat meewegen, afhankelijk van de omgevings- en de individuele kenmerken van de activiteit. De verschillende aspecten die kunnen meewegen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een bedrijfsmatige activiteit zijn:

  • continuïteit van de activiteit (hoelang duurt de activiteit);
  • winstoogmerk van de activiteit (verhouding tussen kosten en opbrengsten);
  • hinder die de activiteit veroorzaakt;
  • omvang van de dierstapel (hoeveel dieren en van welk soort);
  • huisvesting van de dieren (zijn er speciale voorzieningen getroffen);
  • commerciële doeleinden (worden er advertenties gezet);
  • gebruik/ de aanwending van de dieren (hobby of eigen gebruik);
  • perceelsgrootte;
  • omgeving waar de dieren worden gehouden (landelijk of stedelijk gebied).

Hoewel uit bovenstaande blijkt dat het aantal dieren alléén niet bepalend is voor de vraag of er sprake is van een vergunningplichtige activiteit (omvang alsof bedrijfsmatig) of niet, geeft het toch een globale indicatie waar die grens ongeveer ligt.

Inrichting

Artikel 1.1 lid 1 van de Wm bevat de definitie van het begrip inrichting. Een inrichting is "elke door de mens bedrijfsmatige of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht." Behalve aan deze definitie moet de activiteit ook onder een categorie van het Ivb vallen. Voor agrarische bedrijven zijn doorgaans categorie 8, 9 en 1.1 van belang. Pas op het moment dat aan al deze vereisten is voldaan, is sprake van een vergunningplichtige activiteit voor het houden van dieren. Ofwel er moet een vergunning voor worden verleend, ofwel de activiteit valt onder een amvb op grond van artikel 8.40 Wm.

Externe links

Gerelateerde onderwerpen

Persoonlijke instellingen