Gedoogbeschikking

Uit Wiki handhaving

Ga naar: navigatie, zoeken

Een gedoogbeschikking moet worden gezien als een besluit (beschikking) om in een bepaald geval, onder voorwaarden, tijdelijk af te zien van de uitoefening van een handhavingbevoegdheid. De achterliggende reden is vaak dat het bevoegd gezag een bepaalde activiteit wil toestaan, hoewel sprake is van het handelen in strijd met wet- of regelgeving. Gedoogvoorwaarden bevatten de condities waaronder het bestuur bereid is geen gebruik te maken van de handhavingsbevoegdheid. Op zichzelf hoeft de overtreder zich niet aan die condities te houden, maar dan riskeert hij een sanctie. Als de voorwaarden in de gedoogbeschikking worden overtreden moet de gedoogbeschikking worden ingetrokken met de bedoeling om tot handhaving over te gaan, gevolgd door aanschrijving tot bestuursdwang of de oplegging van een dwangsom om alsnog de strijdigheid met de wet- en regelgeving op te heffen. Omdat de overtreding van gedoogvoorwaarden niet kan worden gezien als een overtreding van een wettelijk voorschrift, kan de overtreding van een dergelijk voorschrift geen grondslag vormen voor een sanctie terzake de oorsprong van de overtreding. Hier is de exoneratie-clausule op zijn plaats: wanner men zich niet houdt aan de voorwaarden dan wordt er opgetreden alsof er geen vergunning is, waarmee wordt teruggevallen op artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en kan men het OM vragen strafvervolging in te stellen wegens het handelen zonder vergunning of in strijd met de vergunningvoorschriften.

In een uitspraak van het Hof Amsterdam (AB 2001, 330) concludeerde het Hof dat een gedoogbeschikking gelijkgesteld moest worden met een vergunning, waardoor niet bewezen kon worden verklaard dat de verdachte had gehandeld zonder vergunning. De Hoge Raad tikte in haar uitspraak van 9 april 2002, nr. 02469/00E het Hof ten aanzien van vorengenoemde uitspraak op haar vingers en oordeelde dat een bestuurlijke gedoogverklaring nog niet het vertrouwen rechtvaardigt dat ook het OM niet tot vervolging zal overgaan. Het oordeel van het Hof, dat inhoudt dat het ook voor de strafrechtelijke handhaving geen verschil maakt of men een gedoogbeschikking dan wel een heeft, geeft dan ook blijkt van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad.

Gerelateerde onderwerpen

Persoonlijke instellingen