Mest
Uit Wiki handhaving
Nederland kent een intensieve landbouw. De landbouwsector in Nederland heeft twee miljoen hectare grond in gebruik. Deze grond wordt ingezet voor het verbouwen van gewassen en voor het beweiden van vee, voornamelijk melkkoeien, schapen en geiten. Daarnaast heeft Nederland een intensieve veehouderijsector, die voornamelijk bestaat uit varkens en kippen. De veehouderij produceert een grote hoeveelheid mest die nuttig ingezet kan worden bij de teelt van gewassen.
Overmatig gebruik van mest – zowel dierlijke mest als kunstmest – zorgt voor te veel stikstof en fosfaat in de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater. Dat heeft negatieve gevolgen, bijvoorbeeld voor de natuurlijke soortenrijkdom en voor de drinkwaterbereiding. Een zichtbaar effect is een overdaad aan groene algen in sloten. Het mestbeleid heeft als doel dit soort negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken.
Regelgeving
Het gebruik van meststoffen is in Nederland aan een groot aantal regels gebonden. Deze regels zijn er vooral op gericht om verliezen naar het milieu te minimaliseren. Verliezen vinden plaats naar het grond- en oppervlaktewater (met name nitraat en fosfaat) en naar de lucht (zoals ammoniak en lachgas). Ook excessieve ophoping van voedingsstoffen in de bodem (bijvoorbeeld fosfaat) moet worden voorkomen. In Europees verband wordt het gebruik van stikstofhoudende meststoffen geregeld in de Nitraatrichtlijn. In Nederland is een groot deel van de mestwetgeving op deze Nitraatrichtlijn gebaseerd. Vanaf 2006 gelden dan ook gebruiksnormen voor dierlijke mest, voor werkzame stikstof en voor fosfaat. Daarnaast bestaat er een aantal specifieke regels omtrent het gebruik van meststoffen. Daarvoor is het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) van belang evenals het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (Boom).
Algemene regels van het Activiteitenbesluit gelden voor landbouwbedrijven en mestbassins.
