Sanctiestelsel

Uit Wiki handhaving

Ga naar: navigatie, zoeken

In Nederland wordt bijna negentig procent van alle strafzaken (inclusief de lichte verkeersovertredingen) in de fase voorafgaand aan de zitting definitief afgedaan. Deze buitengerechtelijke afdoening heeft meerdere verschijningsvormen. Met de figuur is getracht om de samenhang tussen de buitengerechtelijke, punitieve sancties schematisch weer te geven tegen de achtergrond van het strafrecht en het bestuursrecht. Dit schema illustreert de overlap tussen de sanctiemogelijkheden voor verschillende feitencomplexen en geeft globaal het aantal zaken dat per mogelijkheid wordt afgedaan. Het laat de instanties die de verschillende punitieve handhavingstaken uitvoeren en de verschillende modaliteiten buiten beschouwing.

Afbeelding:Sanctiestelsel.png

Toelichting bij letters en afkortingen in schematisch overzicht buitengerechtelijke punitieve sancties

letter / recht (globale omvang)

  • A Strafrecht - alle strafrechtelijk vervolgbare feiten (1.200.000)
  • B OM-transactie - artikel 74 Sr - feiten waar tot max. 6 jaar gevangenisstraf op staat (80.000)
  • C OM-strafbeschikking - 257a Sv - feiten waar tot max. 6 jaar gevangenisstraf op staat (0)
  • D Politietransactie - 74c Sr - feiten in transactiebesluit 1994 (500.000)
  • E Politiestrafbeschikking - 257b Sv - feiten in besluit OM-afdoening (0)
  • F Bestuurlijke transactie - 37 WED - o.m. transactiebesluit milieudelicten (600)
  • G Bestuurlijke strafbeschikking - 257ba Sv - feiten in besluit OM-afdoening (0)
  • H Voorwaardelijk sepot - 77e Sr, besluit 8 juli 2000, Stb. 2000, 310 (27.000)
  • I WED – economische feiten genoemd in deze kaderwet (-)
  • J Bestuurlijke boete overlast publieke ruimte – feiten uit APV en AV (0)
  • K WAHV - verkeersfeiten in Besluit WAHV (~12.000.000)
  • L Bestuurlijke boetes - regeling in vierde tranche Awb en circa 70 boetewetten (-)
  • M Fiscale transactie - 76 AWR (60.000)
  • N Fiscale strafbeschikking - 76 AWR (0)
  • O Gemeentelijke naheffingen bij parkeren – vergunningenstelsel (onbekend)
  • P Bestuursrecht - alle bestuursrechtelijk handhaafbare feiten (onbekend)

Strafrecht

Binnen het strafrecht (A) kan de officier van justitie voor alle strafbaar gestelde feiten verdachten dagvaarden om voor de rechter te verschijnen. De officier van justitie kan ook op basis van de transactiebevoegdheid van artikel 74 Sr (B) voor aanvang van de terechtzitting een of meer voorwaarden stellen aan de verdachte ter voorkoming van de strafvervolging. Deze bevoegdheid geldt voor alle overtredingen en voor misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van maximaal 6 jaar. Voor de Wet OM-afdoening (C) geldt dezelfde bovengrens. Na de complete invoering van de wet kan een officier van justitie in principe voor alle feiten waar tot maximaal 6 jaar gevangenisstraf op staat een strafbeschikking uitvaardigen. Dit is een fors deel van het totaal aan strafbare feiten. In het Besluit OM-afdoening kan aan (buitengewoon) opsporingsambtenaren (E – art. 257b Sv) en bestuursorganen (G – art. 257b Sv) voor in dit besluit aangewezen overtredingen en misdrijven ook de bevoegdheid worden verleend een strafbeschikking uit te vaardigen. Dit zal voor de opsporingsambtenaren een deelverzameling zijn van de strafbeschikkingsbevoegdheid van de officier van justitie en grosso modo dezelfde feiten betreffen als nu in het Transactiebesluit 1994 staan (D – art. 74c Sr, politietransactie). Met de OM-afdoening komt het voorwaardelijk seponeren (H) wel te vervallen. Aan het sepot kunnen momenteel op opportuniteitsgronden door zowel openbaar ministerie als politie voorwaarden worden gesteld. Hiervoor bestaat anders dan voor deelname aan HALT-projecten door jeugdigen onder de 18 jaar (art. 77e Sr) geen expliciete wettelijke regeling.

Voor de bestuursorganen die op basis van 257ba Sv strafbeschikkingen uitvaardigen, geldt dat dit ook feiten zal kunnen gaan betreffen die niet zelfstandig door opsporingsambtenaren op grond van artikel 257b Sv kunnen worden afgedaan. De bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid blijft echter altijd een deelverzameling van de feiten die het openbaar ministerie met een strafbeschikking mag afdoen. In elk geval zullen gemeenten met de bestuurlijke strafbeschikking hun overlastfeiten uit de APV en afvalstoffenverordening kunnen gaan handhaven.

De Wet op de economische delicten uit 1951 (WED - H) is een kaderwet, die een opsomming bevat van sterk uiteenlopende (economische) misdrijven en overtredingen. Artikel 37 WED kent transactiebevoegdheid toe aan bestuursorganen, de zogeheten ‘bestuurlijke transactie’ (F). Dit instrument kan op basis van het transactiebesluit milieudelicten alleen nog door specifiek in het besluit genoemde bestuursorganen worden ingezet voor specifieke milieufeiten. Behalve een opsomming van al lang niet meer alleen economische misdrijven en overtredingen bevat de WED ook bepalingen over de straffen die opgelegd kunnen worden. Afhankelijk van de ernst van het delict kan dit oplopen tot maximaal 6 jaar gevangenisstraf of een forse geldboete. Daarnaast kent de wet aan opsporingsambtenaren ruimere bevoegdheden toe dan bij toepassing van het 'gewone' strafrecht. Ook het commune strafrecht kent delicten die economisch van aard kunnen zijn en die niet vallen onder de WED. Aan de andere kant kan geconstateerd worden dat de in de WED opgesomde bijzondere wetten tegenwoordig ook bestuursrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. De evolutie van het bestuursrecht heeft dus geleid tot concurrentie met de WED in de punitieve handhaving. Hiermee overlapt de bijzondere strafrechtelijke regeling van de WED met diverse andere afdoeningsmogelijkheden in dit schema.

Een andere regeling uit het bijzonder strafrecht is de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De belastingdienst beschikt met deze wet al lang over een eigen transactiebevoegdheid (L). Met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten zijn niet alleen de officier van justitie en de (militaire) politie belast, maar ook de ambtenaren van de rijksbelastingdienst. De Wet OM-afdoening past het artikel op basis waarvan transactie worden opgelegd (artikel 76 AWR) aan. Het bestuur van ’s Rijks belastingen beschikt hiermee als enig bestuursorgaan over een wettelijk geregelde eigen strafbeschikkingsbevoegdheid, de ‘fiscale strafbeschikking’ (M).


Bestuursrecht

De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV - J) hevelde in 1992 een aantal verkeersovertredingen uit het strafrecht om een meer gestroomlijnde afhandeling van deze overtredingen mogelijk te maken en zo het openbaar ministerie te ontlasten. De procesgang met afwijkende kenmerken ten opzichte van het reguliere bestuursrecht èn strafrecht zorgt dat de WAHV een buitenbeentje is dat lang geheel buiten een strikte tweedeling van bestuursrecht en strafrecht viel. Daar het regiem van de WAHV niet overeenstemt met het regulier strafrecht viel tot de Wet OM-afdoening op de autosnelweg een overschrijding van de maximumsnelheid van 40 km per uur onder een ander juridisch regiem dan een overschrijding van 41 km per uur. Met de Wet OM-afdoening is de strikte uitsluiting van deze verkeersfeiten echter opgeheven doordat in de eerste zin van artikel 2 WAHV ‘worden’ is vervangen door ‘kunnen worden’. Alle feiten vallend onder het besluit bij de WAHV kunnen in principe dus ook weer strafrechtelijk worden afgedaan, waardoor de feiten onder het regime van de WAHV als blok ook weer vallen onder de koepel van het strafrecht. Vanwege de bijzondere positie die deze wet inneemt in het sanctiebestel is het in deze schematische weergave deels buiten zowel het strafrecht als het bestuursrecht geplaatst.

De bestuurlijke boete voor overlast in de publieke ruimte (I) betreft een aanpassing van de Gemeentewet waardoor de mogelijkheid is geschapen dat de gemeenteraad aan het gemeentebestuur de bevoegdheid verleend bestuurlijke boetes op te leggen voor strafbepalingen voor ‘overlastfeiten’ in gemeentelijke verordeningen zoals de APV en de afvalstoffenverordening. Voor de APV-feiten is al kort stilgestaan bij de mogelijkheid voor gemeenten om bestuurlijke boete te gaan opleggen voor overlastfeiten in de publieke ruimte en de overlap met de strafrechtelijke handhaving voor deze zelfde feiten. Dit is echter zeker niet de enige boetebevoegdheid in handen van het bestuur. Binnen het bestuursrecht (O) is er de afgelopen decennia een trend geweest om bestuursorganen buiten het strafrecht om de mogelijkheid te verlenen bestraffend op te treden. Inmiddels is een dergelijke bestuurlijke boetebevoegdheid opgenomen in bijna zeventig formeelwettelijke regelingen en is een algemene regeling omtrent de bestuurlijke boete voorzien in de vierde tranche van de Awb (K).

Het fiscaal parkeren (N) - tot slot - hoort eigenlijk niet thuis in dit overzicht van punitieve sancties. Het betreft hier namelijk de mogelijkheid voor gemeenten om in het kader van de parkeerregulering belastingen te heffen voor het parkeren van een voertuig en een naheffing op te leggen op het moment dat de belasting niet betaald is. Het betreft formeel dus géén punitieve sancties. Het zal echter door burgers vaak wel als zodanig worden ervaren.

Persoonlijke instellingen