Wet op de Ruimtelijke Ordening

Uit Wiki handhaving

(Doorverwezen vanaf Wet op de ruimtelijke ordening)
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wet op de Ruimtelijke Ordening (afgekort: WRO) was een Nederlandse wet die regelde hoe ruimtelijke plannen in Nederland tot stand komen en gewijzigd worden. Deze wet heeft gegolden van 1 augustus 1965 tot 1 juli 2008. De WRO is diverse malen gewijzigd en uiteindelijk vervangen door de Wet ruimtelijke ordening (afgekort: Wro).

Hoe Nederland er nu en in de toekomst uit moet zien, wordt geregeld in ruimtelijke plannen. Volgende de oude WRO maakte de rijksoverheid Planologische Kernbeslissingen (PKB's), de provincies maakten streekplannen en de gemeenten maakten structuurplannen en bestemmingsplannen. Hoe deze tot stand komen en gewijzigd worden, werd geregeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het bijbehorende Besluit op de Ruimtelijke Ordening (afgekort: BRO). Deze wet bepaalde de taken van de overheid en de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen.

Het bestemmingsplan was het enige plan dat zowel bindend was voor de overheid als de burger. De 'hogere' plannen moeten het hebben van zogenaamde doorwerking. Dat wil zeggen dat de lagere overheden gebonden zijn aan de plannen van de hogere overheden.

De WRO onderscheidde stedelijk gebied van het buitengebied (buiten de steden en dorpen). Gemeenten waren verplicht om in ieder geval voor hun buitengebied één of meerdere bestemmingsplannen te maken. In de praktijk maakten gemeenten ze voor (vrijwel) hun hele grondgebied.

De WRO verplichte gemeenten om hun bestemmingsplannen elke tien jaar te herzien. Omdat een herziening veel tijd en geld kost, en er geen sanctie was voor overtreding van de 10-jaarlijkse herzieningsplicht, waren de meeste bestemmingsplannen (veel) ouder dan 10 jaar voordat ze herzien werden.

De WRO kende een systeem waarbij afgeweken kon worden van het bestemmingsplan. De zogenaamde vrijstellingen van artikel 19. Een veelgebruikt, maar daardoor ook veel bediscussieerd instrument. Door sommigen geliefd, door anderen verfoeid.

De handhaving van de WRO (vooral van bestemmingsplannen en de vrijstellingen) is gegroeid door jurisprudentie.

Ontstaansgeschiedenis

De Woningwet in 1901 introduceerde het (gemeentelijke) uitbreidingsplan, waarbij grond wordt aangewezen die in de naaste toekomst voor de aanleg van straten, pleinen en grachten is bestemd. Aan dit plan waren geen directe rechtsgevolgen verbonden. Overtreding van dit plan was niet strafbaar. En er kon niet met bestuursdwang (toen nog politiedwang geheten) een einde gemaakt worden aan bebouwing en gebruik in strijd met dit plan. Alleen door twee indirecte sancties, door het opleggen van een bouwverbod en het toepassen van de onteigeningsmogelijkheid, kon toen het uitbreidingsplan worden gehandhaafd.

Door wijziging van de Woningwet in 1921 werd het uitbreidingsplan verruimd. Het werd een plan waarbij de bestemming voor de naast toekomst voor de in dat plan begrepen grond in hoofdaak wordt aangewezen. Hier ontstond het zogenaamde plan in hoofdzaak. Er kwam een preventieve sanctie: afwijking van een goedgekeurd (door provincie) uitbreidingsplan werd een verplichte weigeringsgrond voor de bouwvergunning.

Door wijziging van de Woningwet in 1931 werd voortaan onderscheid gemaakt tussen het uitbreidingsplan in hoofdzaak (PIH) en in onderdelen (PIO). Beide plannen konden naast elkaar bestaan. Voortaan konden ook bebouwingsvoorschriften worden gegeven. Het instrument streekplan werd hier ook geïntroduceerd.

Na tijdelijke regelingen in de periode van de Tweede Wereldoorlog, kwam er in 1950 de Wet nationale plan en streekplannen. Hiermee werd de basis gelegd voor rijksplanologie en zelfstandige ruimtelijke wetgeving.

In 1962 werd de Woningwet van 1901 vervangen door de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de nieuwe Woningwet. Nieuw in de WRO was niet alleen het bestemmingsplan, en de mogelijkheid om gebruiksvoorschriften op te nemen, maar ook het structuurplan, de aanlegvergunning, de wijzigings- en uitwerkingsmogelijkheden, de vrijstellingmogelijkheid, het voorbereidingsbesluit, de exploitaitieverordening en een schadevergoedingsregeling.

In 1985 is de WRO op een aantal punten gewijzigd. Er kwam de mogelijkheid van globale eindbestemmingen en de procedure van bestemmingsplannen werd verkort.

In 1994 is de WRO aangepast aan de systematiek van de toen ingevoerde Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Kroonberoep werd vervangen door beroep op de Afdeling (bestuurs)rechtspraak van de Raad van State. Er kwam ook een Nimby-regeling (Nimby = Not in my backyard) en een regionaal structuurplan.

De WRO werd voorts gewijzigd in 1995, 1998, 2000, 2002, 2004, 2005 en 2006.

Externe links

Gerelateerde onderwerpen

Persoonlijke instellingen